Nederlandse polyfone liederen en dansmuziek uit de renaissance

Patrizia Hardt: sopraan
Nadia Bierinckx, Els Spanhove,
Jan Devlieger: blokfluiten.
Piet Stryckers: gamba
Dirk De Hertogh: luit

De Antwerpse muziekuitgever Tielman Susato gaf in het jaar 1551 drie “Musyck boexkens” uit: twee met meerstemmige “amoureuse liedekens” op Nederlandse teksten en één met instrumentale dansen nl. “alderhande danserye”. Samen met enkele latere publicaties van Jacob Baethen in Maastricht en van Pièrre Phalèse in Leuven vormen zij de hoofdbron voor dit vocale en instrumentale repertoire in de Nederlanden.

“So is nochtans altoos myn sunderlinge voernemen geweest: de edele hemelsche konst der musycken in onser nederlantscher moeder talen int licht te brengene, gelyck de selve in de latynsche, walsche, ende italianensche sprake, seere bekendt ende in allen landen uut gebreydt is geworden”. Aldus Susato in “Het ierste musyck boexken”. Deze publicatie kan beschouwd worden als een reactie op de verdere verbreiding van het Franse chanson en het Italiaanse madrigaal. De Nederlandse liedkunst kende een meer lokale verspreiding, wat uiteraard te verklaren valt door het beperkte taalgebied van het Nederlands. Het beoogde publiek was in de eerste plaats de burgerij, die in navolging van de adel, hun dagelijks bestaan trachtte op te fleuren met zang en dans. De teksten zijn zeer verscheiden: hoofs, volks, frivool of geestelijk van inspiratie. Het belang van deze uitgaven mag ons echter niet doen vergeten dat er reeds vroeger Nederlandse wereldlijke liederen floreerden. Uit vele handschriften die vaak zelfs in het buitenland werden samengesteld, treffen we Nederlandse polyfone liederen aan. Ook bij de pionier van de muziekdruk Petrucci in Venetië vinden we in zijn eerste drukken (1501) profane muziek in onze volkstaal  terug. Het Vlaams was natuurlijk een onoverkomelijk probleem zodat, zoals in vele handschriften, alleen een tekstincipit werd weergegeven. Hierdoor lag een louter instrumentale uitvoering met name in Italië voor de hand. Wanneer de compositie toch helemaal voorzien is van tekst, sluit dit toch een zuiver instrumentale uitvoering niet uit. Denken we maar aan de vermelding op de titelpagina van “Het ierste musyck boexken”: “zeer lustich om singen en spelen op alle musicale instrumenten”, wat natuurlijk ook commerciële doeleinden verraadt. Eenzelfde werk kan dus vaak vocaal, instrumentaal of vocaal- instrumentaal uitgevoerd worden…

Een compositie uit de renaissance is geen onaantastbaar opus maar was een “work in progress” waarover iedereen beschikte om zijn eigen creativiteit bot te vieren in talloze herwerkingen, transcripties voor luit of andere renaissance- instrumenten.

 

Thomas Fabri (fl 1400-1412)
Ach Vlaendere vrie


Josquin des Prez (ca 1440-1521)
Alexander Agricola (ca 1446-1506)
O Venus bant


 Tielman Susato (1500-1561/64)
Pavane & Gaillarde La dona


Clemens non Papa (1510/15-1555/56)
Roepen, bidden


Cornelis Boscoop (ca 1531-1573)
Wilt doch belijen


Mattheus Pipelare (ca 1450-ca 1515)
Anonym (uit Livre plaisant, 1529)
Jacques Barbireau (ca 1420-1491)
Een vrolic wesen (3 zettingen)


 Pierre Phalèse (ca 1510-1573/76)
Pavane & Gaillarde La garde
Volte


Johannes Ghiselin (fl begin 16° eeuw)
Jacob Obrecht (1457/58-1505)
Weet ghij wat mijnder jongher herten deert (2 zettingen)


Jacob Obrecht (1457/58-1505)
Ludwig Senfl (ca 1486-1542/43)
Tandernaken/ Tandernak (2 zettingen)


PAUZE


Alexander Agricola (ca 1446-1506)
In minen zin


Tielman Susato (1500-1561/64)
Mille regretz
Dont vient cela & Reprise


Pierre de la Rue (ca 1450/58-1505)
Mijn hert altijd heeft verlanghen


Jheronimus Venders (fl 1510-1550)
Mins liefkens bruin oghen


Tielman Susato (1500-1561/64)
Passe et medio
Gaillarde I & V (Ghequest bin ick)


Emanuel Adriaenssen (ca 1554-1604)
Fantasia III
Het soude een meysken


Pierre Phalèse (ca 1510-1573/76)
Pass’emezzo d’Italie


Georg Forster (ca 1510-1568)
Ick seg adieu

Alle rechten bij flutomanie/Manus